Analyse van een karakter

© 1987 Paul Cooijmans

Proloog

Een man kwam naar mij toe en vroeg me hem in te wijden in de geheimen der hogere rekenkunde. Hij sprak op onverschillige toon, zoals mensen doen die zich superieur wanen. Bij wijze van examen stelde ik hem de vraag hoeveel twee plus twee is. "Wat?!", reageerde hij, en nooit had ik iemand meer verontwaardigd zien kijken, "Maar dat zijn cijfers! Ik ken alleen de letters nog maar."

1

Dezelfde man nodigde mij uit hem te bezoeken. Op de afgesproken tijd beklom ik de trappen naar zijn kamer en stond stil voor de deur. Ik hoorde een stem: "...alleen al zoals ze hun pink houden... zo... sophisticated..." Snel klopte ik en ging naar binnen.

Een meisje viel op haar knieën viel en kuste mijn voeten. Terwijl ik mij verbaasde hees de man haar in een stoel; ze was aan beide benen verlamd. "P", sprak hij toen, "ziehier mijn vrouw. Ze is tijdens ons laatste motorritje op een wat ongelukkig gekozen moment afgestapt, we stonden namelijk nog niet helemaal stil; om precies te zijn had ik juist teruggeschakeld en was bezig te genieten van de formidabele acceleratie toen ik haar ijselijke gil hoorde. Ach, je weet hoe die vrouwen zijn hè, een klein knikje in het ruggemerg en meteen brullen als een speenvarken. Om een lang verhaal kort te maken, ze is sindsdien verlamd. Aanvankelijk deprimeerde dit haar vreselijk, maar geleidelijk heb ik haar op kunnen beuren door te vertellen over jouw grote capaciteiten. Ze wilde het eerst niet geloven; slechts na lang praten kon ik haar overtuigen dat jij dit ongemak door simpele handoplegging zult verhelpen, en nu is ze vol hoop."

Het meisje knikte en keek mij verwachtend aan.

"Dus P.", ging de man verder, "vertoon je kunsten; wij wachten en vertrouwen op jou."

Ik stond perplex, maar hervond mijzelf en legde uit dat er sprake moest zijn van een misverstand; ik was immers rekenkundige en geen handoplegger. Toen ik uitgesproken was leek het meisje op het punt in huilen uit te barsten. De man begon snel met haar over een geheel ander onderwerp te spreken, en het bezoek verliep verder alsof er niets abnormaals had plaatsgevonden.

Toen ik echter die avond zat te eten ging de telefoon. De man: "Hoe haal je het in je hoofd mij zo voor schut te zetten! Dat je, na alle moeite die ik gedaan had haar te overtuigen van je kunnen, doodleuk zei geen handoplegger te zijn was al een klap in mijn gezicht, maar dat je haar daarna ook nog in mijn bijzijn moest aanranden... schande! Ze was geheel overstuur toen je weg was. Als je zoiets nog een keer uithaalt ram ik je op je bek! Je mag dan een briljant rekenkundige zijn, in sociaal opzicht functioneer je niet, sterker nog, ben je een regelrechte ramp!"

2

Kort daarna stond hij weer voor mijn deur. Ik liet hem binnen en vroeg of hij wat wilde drinken. "Och", zei hij, "waar ik nu echt zin aan heb, maar dat zul jij niet in huis hebben, is zo'n exquise cocktail van vijfkwarten en triolen, afgemaakt met een schijfje syncope op de tweede drieëntwingtiste, en..."

Ik gaf hem een glas lauwe paardezeik; dit bleek precies te zijn wat hij bedoeld had. Terwijl het langs zijn kin droop vroeg hij waar ik de laatste tijd mee bezig was. Achteloos voerde ik uit het hoofd wat simpele sommetjes uit. "Formidabel" zei hij. "Ik ben werkelijk onder de indruk. Zoals je de zessen en tweeën uitspreekt! En niet te vergeten je ademhalingstechniek bij het machtsverheffen en worteltrekken! Maar die vieren... kun je daar niet beter vijven van maken? Dan wordt het allemaal wat... vloeiender."

Ik wierp tegen dat de uitkomsten dan niet meer zouden kloppen.

"O, hou jij rekening met uitkomsten? Ik wist niet dat je zo traditioneel bezig was. Maar goed. Vind jij eigenlijk niet dat het tijd wordt eens op te houden met die kleine sommetjes? Je zou één grote som moeten nemen en daarmee doorbreken bij het publiek. Met jouw talenten moet dat lukken, mits je het aantrekkelijk brengt natuurlijk. Geen moeilijkdoenerij; alleen optellen en aftrekken, geen cijfers boven de vier, danspasje erbij enzovoorts. De mensen moeten het wél kunen volgen, snap je. Daarom wil ik je voorstellen aan een kennis van me uit A., een bijna net zo briljant rekenkundige als jij, die jou zou kunnen assisteren bij dit moeilijke werk. Wat denk je ervan?"

Ik antwoordde dat ik de rekenkundige eerst eens wilde ontmoeten. "Mooi zo!" De man sprong op. "Ik wist dat je het zou doen! Kom mee, dat gaan we meteen. Hij ziet al op mijn kamer te wachten!"

Onderweg vroeg ik de man of hij al enig idee had welke grote som we zouden gaan oplossen. "Wat doet dat er nou toe?" reageerde hij verbaasd. "Dacht je soms dat iemand het na ging rekenen?"

Aangekomen ging ik als eerste de kamer binnen waar de rekenkundige, naar was verteld, vol ongeduld zat te wachten. Tot mijn verrassing echter - of had ik het voorzien? - zag ik dat de kamer, afgezien van een enkele kakkerlak die ik terloops doodtrapte, volkomen leeg was.

3

"We moeten bij het begin beginnen. Niet meteen alles willen, eerst elementaire zaken beheersen. Zo ontdekte ik vanmorgen nog dat twee plus twee vier is. Besef je hoe belangrijk het is dat in te zien? Het zijn niet zomaar cijfertjes, ze betekenen ook nog iets! Je kunt de meest logische verbanden vinden in een som als je maar weet waarnaar je zoeken moet! Denk je niet dat het tijd wordt dat jij dat ook eens leert?"

"Ik heb dat al jaren geleden geleerd en doorzie het nu volkomen" antwoordde ik.

"Zo, je durft wel wat te zeggen" sprak de man op superieure toon. "Laat me je tafel van vijf maar eens horen."

Ik begon de tafel van vijf op te zeggen maar moest daar al snel mee stoppen doordat ik in de war raakte van de tafel van zeventien-drie-achtste die de man door mijn tafel heen opdreunde.

"Wat knap", zei ik tegen hem, "dat jij tegelijkertijd geconcentreerd naar mij kunt luisteren en zelf zo'n ingewikkelde berekening kunt uitvoeren."

"O, dat was gewoon de tafel van zeventien-drie-achtste" sprak de man nonchalant. "Die ken je toch wel? Eenmaal zeventien-drie-achtste is eenmaal zeventien-drie-achtste, tweemaal zeventien-drie-achtste is tweemaal zeventien-drie-achtste, enzovoorts. Maar waarom hield je op? Last van remmingen? Je zou je gevoel meer moeten uiten. Zit je ergens mee? Vertel het mij gerust, ik ben ervoor, we zijn immers vrienden. Dat is het voordeel van de tijd waarin wij leven zie je, dat je overal vrij over kunt spreken. Je moet niet blijven opkroppen, gooi het er toch uit man. Kom op met je problemen."

Ik besloot op zijn vriendelijke en welgemeende voorstel in te gaan en begon te vertellen hoe ik het leven ervaar. Echter, toen ik enige zinnen gesproken had sprong de man ontsteld op en viel mij in de rede. "Wat... maar dit is ongehoord! Mijn huis uit jij stinkende rat, en snel! Hier, pak aan!"

De man schopte en sloeg me waar hij me raken kon. Ik stond op en bereikte met moeite de voordeur, waarna hij me de straat op werkte en me in de goot natrapte. Voorbijgangers bleven staan en werden door de man ingelicht over mijn ongehoorde vuilspuiterij. Verontwaardigd begonnen ook zij daarna te schoppen. Steeds meer verzamelden zich, zij namen de man als een held op hun schouders en beukten juichend op mij in tot het leven uit me week. Het laatste wat ik zag waren de grijnzende botte varkenskoppen van het gepeupel die mij bespuugden en beschimpten en het was alsof zij wisten dat ik tot in mijn laatste momenten dit verkoos boven gedragen worden op hun schouders.