Goden bestaan!

© Paul Cooijmans – 1982-1983

Voorwoord

In mijn tienerjaren, toen ik begon met schrijven, heb ik een aantal verhalen van surrealistische, fantastische, absurdistische aard bedacht. Dit is een representatief voorbeeld.

1 Goden bestaan!

Goden bestaan.

Bestaan goden? Ja, goden bestaan.

Goden zijn multidimensionale wezens die zich naar willekeur kunnen transponeren (verplaatsen) in iedere gewenste dimensie.

Ze zijn machtig. Machtig genoeg om heersers over het heelal te zijn.

Maar ze zijn ook slim. Slim genoeg zich niet met het gewone drie- en vierdimensionale leven in ons heelal te bemoeien. Dus wat doen ze? Ze liggen de hele dag op hun luie reet, drinken cola en eten roomsoezen.

Een enkele keer krijgt een van hen het in zijn hoofd zich in het lichaam van een lagerdimensionaal wezen te steken. Zoals de Tijdheer Van Nelle, die vermomd als aardman een tijdje op Aarde aanrotzooide.

Samen met een aardbewoonster schiep hij een dochter, de halfgodin Dolly. Het verlangen naar roomsoezen deed hem echter besluiten naar zijn mede-goden terug te keren. Hij nam zijn dochter mee.

Helaas kon de halfgodin na korte tijd geen roomsoes meer zien. Ze vluchtte weg uit het roomsoezenparadijs, terug naar de Aarde. Om niet op te vallen trouwde ze met de eerste de beste aardbewoner. Al snel beviel ze van een zoon, die Pieter genoemd werd. Pieter was de zoon van een halfgodin, en dus een kwartgod.

Op vroege leeftijd verliet hij het ouderlijk huis en ging op zichzelf wonen. In zijn vrije tijd hield hij zich vooral bezig met het bouwen van elektrische treinen.

Op school – hij ging nog steeds naar school – verwierf hij een vriendenkring die overwegend uit hyperintelligente figuren bestond. Als kwartgod kon hij het beste opschieten met mensen die zich, op de een of andere manier, onderscheidden van het gewone gepeupel.

Op een dag kreeg Pieter een geniale inval. Hij had veel gehoord over de energiecrisis, en zat al een tijd te denken over een manier die op te lossen. Hij spijbelde van school en ging aan de slag. In een roes brak hij zijn computergestuurde elektrische modelbouwtreinset af en verbouwde hem tot een vreemd apparaat, waarvan de werking zo ingewikkeld was dat hij die onmiddellijk vergat.

Gelukkig was de bediening simpel, zodat hij gauw in de gaten kreeg dat het apparaat in onbeperkte hoeveelheden energie kon leveren. Er zat echter een nadeel aan; de energie werd overwegend geleverd in de vorm van flink opgewarmde roomsoezen, met af en toe een chocoladebol ertussen. Maar dat probleem zou waarschijnlijk wel oplosbaar blijken, dus Pieter feliciteerde zichzelf vast met het oplossen van het energievraagstuk.

2 De zes stadia van krankzinnigheid

Het was Zilo Necks eerste dimensietransmissie, dus hij was behoorlijk opgewonden. De oude man die het dimensietransmissie-apparaat bediende had hem verteld dat hij vijf tussenstadia zou doorlopen alvorens op de driediemensionale Aarde te belanden in het lichaam van een driedimensionale aardman. Toen was het gezicht van de man vertrokken in een rare, sadistische grijns. Het volgende moment had hij het gevoel gehad met duizelingwekkende snelheid achterover te vallen, het leek eindeloos, de grijns bleef nog een tijd voor zijn gezicht hangen. Tenslotte had hij het bewustzijn verloren.

Nu bevond Zilo Neck zich in het eerste tussenstadium. Het drong langzaam tot hem door, hij voelde zich erg vreemd. Voor het eerst in zijn leven voelde hij dat hij er was. Een lichte walging kon Zilo niet onderdrukken. Hij kokhalsde en werd vreselijk beroerd. Tevens rook hij de geur van versgebakken friet met mayonaise. Hij keek verbaasd op, voor het eerst in zijn leven. Overal zag hij, vaag en ontastbaar, als in een droom, vreemde wezens die porties friet mét uit automaten haalden.

Ze aten de friet op, zag Zilo, en gooiden de lege plastic bakjes in een afvalemmer. Ze waren zeker met hun twaalven.

Langzaam vervaagde het beeld. Het eerste tussenstadium ging over in het tweede. Zilo Neck werd zich nu meer bewust van het feit dat hij een lichaam had. Toen hij om zich heen keek zag hij dat er niet veel veranderd was. Hij was nog steeds omringd door figuren die friet uit de muur aten. Althans op het eerste gezicht.

Op het tweede gezicht, oftewel bij nadere beschouwing, bleek dat de figuren hun bakjes friet nu maar half opaten en de resterende helft in de afvalemmer deponeerden. Nog altijd leken de wezens erg vaag en ontastbaar.

De overgang naar het derde tussenstadium was heviger, sneller ook. De figuren waren in Zilo's ogen nu een stuk minder vaag. Het waren zeer agressieve wezens, afstotelijk, zeer lelijk om te zien. Hun gedrag was ook uitermate onfatsoenlijk. Ze haalden friet uit een automaat, roken er een keer aan en smeten hem op de rond, of soms in het gezicht van een ander wezen. Een van de lelijke agressieve wezens gooide zijn friet in de richting van Zilo, de enorm schrok en bukte om de rotzooi te ontwijken. Hij voelde zijn hart bonzen in zijn slapen, zijn bonzende slapen in zijn hart, zijn slapen hard bonzen en zijn hart slapen en bonzen. En toen een zeer hevige schok, en hij was in het vierde tussenstadium.

Zilo zag nu zeer duidelijk één wezen en één frietautomaat. In het wezen zag hij een sterke gelijkenis met zichzelf. Want jawel, hij kon nu zijn eigen lichaam ook zien.

Het wezen wierp een munt in de automaat en haalde er een bakje friet mét uit. Vervolgens nam het een lik van de mayonaise, gooide weer een munt in de automaat, trok er weer een bakje friet uit en zette het eerste frietje in het leeggekomen vakje, dat hij weer sloot. Weer nam het wezen een lik van de mayonaise, en weer... enfin, men begrijpt het al.

Na enige tijd had hij alle vakjes gehad, en de wiskundigen onder de lezers zullen door hebben welk probleem zich toen voordeed. Inderdaad, het wezen hield een frietje mét over, en wist bij God niet wat het er mee aan moest. Zilo keek nieuwsgierig toe. Ongelooflijk wat je allemaal zag bij zo'n dimensietransmissie.

Het wezen kreeg nu blijkbaar een helder ogenblik, hief een vinger alsof het zeggen wilde "Let op, nu komt het", en begon te eten. Zilo Neck gaf een knor van teleurstelling, want hij had een spectaculairdere oplossing verwacht.

Het wezen hoorde Zilo's knor, keek op, liet de portie friet mét vallen en kwam op hem af. Voor Zilo het besefte had hij een karatetrap op de adamsappel te pakken en maakte een verstikking zich van hem meester. Vreselijke pijn gloeide in zijn strottehoofd. Althans, in wat er van het strottehoofd over was. Het werd eerst rood en daarna zwart voor zijn ogen.

En toen, langzaam, met horten en stoten, zeer pijnlijk, werd hij uit het vierde tussenstadium losgerukt en geraakte in het vijfde.

Zilo Neck zat in een afgesloten treincoupé, zo een met maar een deur, die naar buiten leidt en geen verbinding heeft met de rest van de trein. In Engeland zie je dat soort coupés wel eens. Hij had een medepassagier. Een meisje. Ze was een jaar of negentien en had krullerig goudblond haar. Haar ogen stonden scheef. Ze droeg een t-shirt met opgerolde mouwen.

Zilo was verrast toen hij het meisje hoorde zeggen "Hallo, jij bent zeker Zilo Neck hè?"

"Eh... jazeker wel, ja..."

"Zozo, Zilo. Ik heb een boodschap voor jou aangaande je opdracht op Aarde." Het meisje kwam naast hem zitten en boog zich over hem heen.

"Wat zal er nou toch komen?" dacht Zilo.

Het meisje glimlachte vriendelijk naar hem, stak toen een vinger in haar keel en braakte met schokkende bewegingen haar maaginhoud over Zilo's nieuwe spijkerpak.

"Zo, dat lucht op."

Zilo staarde verbijsterd naar de half verteerde resten van enkele roomsoezen. De stank was onbeschrijflijk, maar gelukkig verdween hij al gauw weer uit dit tussenstadium, vrolijk nagewuifd door het meisje.

3 Een briljante theorie..

Natuurlijk had Pieter Krijsbergen nagedacht over zijn uitvinding. Hij had geprobeerd de werking te verklaren met allerlei bedenksels, al dan niet in strijd met de Wet van Behoud van Energie, en was tenslotte uitgekomen op een absurde theorie, volslagen belachelijk en onwetenschappelijk, die hij als de enig zaligmakende beschouwde.

Mijn apparaat, zo redeneerde Pieter, absorbeert de elektrische energie van menselijke hersencellen en zet die om in inwendige energie van een roomsoes, die het op onverklaarde wijze tevoorschijn tovert. Ieder mens heeft miljarden van die cellen, en er zijn vier miljard mensen op de wereld, dus we kunnen voorlopig vooruit.

Natuurlijk heeft dit tot gevolg dat de menselijke intelligentie langzaam maar zeker zal dalen, maar wat geeft dat? Akkoord, de mensen zullen over een tijd niet meer lang en diep na kunnen denken, maar daar staat tegenover dat een van de voornaamste problemen van de mensheid opgelost is.

De energiecrisis, met al zijn bijkomstigheden zoals hoge prijzen, lage lonen, werkeloosheid, agressie, oorlogen enzovoorts, zal geschiedenis zijn, en daarmee de voornaamste oorzaak voor mensen om lang en diep na te denken. Dus, dacht Pieter, er is geen reden meer om lang en diep na te denken. Het komt dus mooi uit dat men door mijn apparaat minder intelligent zal worden, want anders zou men zich toch maar druk gaan maken om onbenulligheden! Leve de logica!

Dat dit een volslagen belachelijke theorie was zag Pieter zelf ook in, maar vreemd genoeg beschouwde hij dat als het beste bewijs van de juistheid ervan. Want het feit dat hij zoiets idioots kon bedenken duidde er toch zeker op dat zijn intelligentie reeds met sprongen gedaald was?

In werkelijkheid werkte het apparaat heel anders. Pieter, de kwartgod, had in zijn onderbewustzijn veel kennis van zijn goddelijke voorouders. Op zekere momenten in zijn leven, zoals toen hij de computergestuurde modelbouwtreinset ombouwde tot het eerdergenoemde apparaat, was die kennis stukje bij beetje omhoog geborreld naar zijn bewustzijn. Zo had hij een dimensietransmisie-apparaat gebouwd, in de veronderstelling een apparaat te maken dat energie kon produceren. Dat het apparaat die toch leverde, zij het in de vorm van roomsoezen, kwam doordat het afgesteld was op de roomsoezenopslagplaats van zijn voorouders, de multidimensionale wezens.

Wanneer we dit weten wordt het gemakkelijker te begrijpen waarom Zilo Neck uit zijn multidimensionale universum vertrok naar de driedimensionale Aarde. Het roomsoezenverlies was natuurlijk opgemerkt door de beheerder van de Grote Opslagplaats. Deze multidimensionale kerel, genaamd Zzip, gaf het verschijnsel door aan de Multidimensionale Onderzoekcommissie, die het onderzocht en doorgaf aan de Multidimensionale Aktiecommissie, met het verzoek er iets aan te doen. De Aktiecommissie stuurde de Aktieveling Zilo Neck naar de plek waarvan de Onderzoekcommissie had beweerd dat die de oorzaak van de narigheid was.

Zo kwam het dat Zilo Neck, gekleed in trefzeker spijkerpak en zwartleren gymschoenen, voor de deur van Pieter Krijsbergens huis uit zijn taxi stapte en aanbelde.

4 Het (voorlopige) einde der mensheid

Nauwelijks had Pieter de deur geopend of hij werd door een krachtige arm opzij geduwd. Een enorme kerel van twee bij twee stampte naar binnen.

"Hee, wat moet dat?" zei Pieter, die anders toch behoorlijk progressieve opvattingen had over het binnenlaten van vreemdelingen in zijn huis.

"Jij bent Pieter Krijsbergen" stelde de enorme kerel vast.

"Eh... ja." Pieter opende aarzelend de deur naar de zitkamer. Hij had direct door dat met deze figuur niet te spotten viel. Al was het alleen maar om die woeste blik in diens ogen.

"Wie bent u eigenlijk dan, als zodanig dus, als mijn vraagstelling niet te ruim van opzet is althans, met excuses..."

"Hou op met dat gebazel." Het werd stil. Afgezien dan van het vrolijke gefluit van een kanariepietje.

"Leuke lamp" merkte de enorme kerel terloops op, terwijl hij goedkeurend knikte naar een staande schemerlamp waarop geelivoren olifantkopjes als versiering waren aangebracht, alvorens te vervolgen met:

De hond blaft;
de vogel fluit;
de mens is gek;
en ik ben Zilo Neck.

Pieter staarde hem aan. "Tja, daar zeg je me wat. Maar denkt u niet dat het beter is eerst te bewijzen dat de mens überhaupt bestaat, alvorens de conclusie te trekken dat hij gek is, ik bedoel..."

Hij zweeg toen hij zag dat Zilo Neck hem doordringend aankeek. Er volgde wederom een korte stilte, die onderbroken werd door Zilo met de mededeling:

"Ik ben hier om je dimensietransmissie-apparaat te vernietigen."

Uiteraard begreep Pieter er niets van. "Eh... dimensietransmissie-apparaat? Wat is dat?"

Hoewel Pieters kennis van techniek bijna encyclopedisch was kon hij zich met geen mogelijkheid herinneren ooit van een dimensietransmissie-apparaat gehoord te hebben.

"Dat is... ach, laat maar. Ik zoek het zelf wel."

Zilo Neck stak zijn enorme neus in de lucht en snoof. En nog eens. Wel zes keer in successie snoof hij driekwart liter lucht naar binnen, alvorens hem met een vuurrood hoofd weer uit te blazen en de kamer uit te benen. Pieter volgde hem, de hal door, de trap op, de hobbykamer in.

"Dit is een dimensietransmissie-apparaat."

Zilo Neck wees op een aantal oude schoenendozen, onderling verbonden door elektriciteitsdraden en luchtslangetjes. De schoenendozen waren, op schijnbaar willekeurige wijze, volgestouwd met spoelen, stukken printplaat, magnetischekernengeheugens, ongelooflijk veel draden en hier en daar een enkele treinrail. Het geheel van dozen was via een dikke rubberen slang aangesloten op een schakelkast waar velerlei geinige wijzertjes en lichtjes op zaten.

"Ach welnee!" riep Pieter uit. "Dat is mijn laatste uitvinding, een apparaat dat in onbeperkte hoeveelheden energie kan leveren..."

"Maar dan wel in de vorm van roomsoezen zeker" schampte Zilo Neck.

Pieter keek hem aan. "Eh... ja."

"Neehee, kereltje. Dit is een dimensietransmissie-apparaat, en over een paar minuten is het een hoop schroot want we hebben er genoeg van dat je onze roomsoezenvoorraad plundert."

Pieter begreep er niet veel van, en zei dat ook. "Ik begrijp er niet veel van."

Zilo liep op de schakelkast af. "Of je er wat van begrijpt of niet zal mij worst wezen, maar dit ding gaat eraan. Eens kijken, wat is dit voor schakelaar..."

Op goed geluk morrelde hij wat aan de schakelaars en knopjes. Een licht gezoem zwol langzaam aan tot een zwaar gezoem.

"Hee, kijk uit! Je zet hem aan! En veel te hard ook!"

"Hu, watte?"

Op dat moment werd de roomsoezenaanvoer uit de schoenendozen te groot voor de generator, en binnen seconden was de vloer bedekt met een laag warme slagroom.

"Kijk nou eens wat je gedaan hebt!"

Zilo keek, en zei beteuterd "Oké oké, ik zet hem wel af." Met een enorme klap van zijn klauwachtige handen probeerde hij alle schakelaars in één keer om te zetten. Dat lukte niet, en ondertussen werd de aanvoer van roomsoezen almaar groter. Die was namelijk evenredig met de twaalfde macht van de tijd, maar dat doet er eigenlijk niet toe.

Hoe dan ook, voor Zilo en Pieter "pap" konden zeggen verzopen ze al in de slagroom, die aangenaam warm aanvoelde.

Even later spoot het spul door alle ramen en deuren de straat op. Voorbijgangers stonden even raar te kijken, maar toen werden ook zij bedolven onder het rozige goedje. Met verbluffende snelheid breidde de roomsoezengolf zich uit. De hele multidimensionale opslagplaats stroomde leeg over de Aarde. Amper twaalf minuten later was alles op de wereld bedekt met een laag slagroom van twaalf kilometer dik. Niemand kon gered worden. Iedereen stikte of verdronk. Er was geen tijd de atoomschuilkelders in te duiken. Het ging zo snel dat praktisch niemand in de gaten had wat er gebeurde. Alleen piloten van vliegtuigen die toevallig in de lucht waren zagen een witte massa zich razendsnel uitbreiden over het aardoppervlak.

Eentje dacht zelfs "Ha, gelukkig dat ik in de lucht zit. Stel je voor zeg, als ik nou beneden zou zijn... tjongejonge." Drie minuten later liep zijn vliegtuig vast in verse slagroom.

Aangezien er op dat tijdstip geen aardbewoner op de maan rondliep of in een ruimteschip vertoefde betekende deze gebeurtenis het einde der mensheid.