© 1982 Paul Cooijmans
Eindelijk was het zover: de eerste kleuterschooldag. Maanden had ik die met angst en beven tegemoet gezien, en toen de gehate dag aanbrak wist ik dat ik de vrijheid voor een groot deel van mijn leven kwijt was. Nooit zou het meer hetzelfde zijn. De zin van het leven werd mij ontnomen. Ik weet dat het ongelooflijk klinkt, maar ik zag de dingen ook toen al zeer scherp.
Om me zoet te houden had mijn moeder mij een toverlei gegeven. Een plat kartonnen speelgoedding met een plastic venster waarop je met een puntig voorwerp kon tekenen. Als je klaar was kon je aan een wisser trekken die het raampje weer schoon veegde.
In de ochtend bracht ze me achterop de fiets naar de kleuterschool. Het was een laag, gemeen, langwerpig gebouw met een grote volière ernaast waar vrolijk tsjilpende vogeltjes gevangen zaten. Net als ik straks, dacht ik. We gingen naar binnen, waar al een grote schare moeders met kinderen in de hal stond. Ik had de toverlei bij me, in mijn broekzak.
Een jufrouw vertelde ons dat we allemaal een paar sloffen aan moesten doen, die gereed lagen in een grote prullebak. Nooit ofte nimmer mochten we zonder sloffen over onze schoenen een lokaal binnengaan. En bij het verlaten van het lokaal moesten we ze weer uitdoen en in de bak gooien.
Ik herinner me dat ik een keer, toen het hard regende en mijn moeder stond te wachten met de auto, in de haast vergat om die sloffen uit te doen en ermee door de regen de straat opliep. Pas thuis kwamen we er achter dat ik ze nog aan had. Een ramp was dat. De gevolgen ervan herinner ik me helaas niet meer.
Wij werden door de juffrouw met zo'n twintig kleuters tegelijk een lokaal in gedreven. Ik werd met wat jongens en meisjes aan een tafel vol speelgoed gezet met het bevel te gaan spelen. Ik wist me geen raad en friemelde maar aan mijn toverlei. De grootste en brutaalste jongens grepen meteen handenvol speelgoed - het leek op lego - en begonnen vrachtwagens, treinen en raceauto's te maken.
Ik voelde me doodongelukkig en begreep dat het goede leven voorgoed voorbij was; van nu af zou ik bitter lijden moeten. Na enkele minuten werd ik door de juffrouw aan het spelen gezet. Stil voor je uit zitten kijken was verboden.
Toen ik tussen de middag thuis was bezwoer ik mijn moeder - mijn vader was op zijn werk - dat ik nooit meer terug ging naar die smerige rotschool. Hoewel ik het meende werd ik niet serieus genomen. Mijn moeder zei wel dat alle jongetjes naar school moeten omdat ze anders dom blijven, of zoiets.
Dat brak mijn klomp natuurlijk helemaal. Wie was er nou dom? Ik, of die kleutertjes die daarginds de hele dag toet-toet zeggend over de grond kropen?
De allerergste klap van de dag kwam echter 's avonds, toen ik ontdekte dat ik de toverlei kwijt geraakt was op school. Ik vond hem nooit meer terug.